Op uitbouw in Oostende // vooronderzoek

De verhalen

De Nieuwe Stad of in de Ostendsche volksmoend: 'de Apenplaneet'

Woensdagnamiddag

Op een zonnige woensdagnamiddag ga ik langs het lokaal van Arktos. Blanke jongeren staan wat bij hun brommers te praten en te lachen. Ik zeg wie ik ben en vraag opnieuw wie ze zijn, of ze naar school gaan of gaan werken, of ze graag in de wijk wonen, wat ze liefst doen in de wijk en wat ze er missen, waar ze mee bezig zijn, met wie ze thuis wonen, enz. Ik praat opnieuw over mezelf (alleen wat ik wil vertellen). Ze vertellen dat er een voetbalplein is waar alleen allochtonen zitten.

Ik ga naar het voetbalplein. Enorm veel jonge allochtonen zijn er aan het voetballen. Ik vraag hen of ik mag meedoen. Ik merk dat ze allemaal Duits praten, dus spreek ik hen ook aan in het Duits. Gelukkig dat ik wat voetbal kan spelen, maar als ik niet zou kunnen voetballen, zou ik gevraagd hebben of ik mee mocht supporteren of telkens om de bal mocht als hij over de hekken vloog.

Vrijdagavond

De appartementen en het Arktos-lokaalIk bel de coördinator van Arktos en nodig mezelf uit om een activiteit van hen bij te wonen. Ik zeg dat ik geïnteresseerd ben in hun werking en in de jongeren waarmee ze werken. Het is heel leuk om er te zien wie een trekker is, wie een doener is en wie een meeloper. Nadien vraag ik de jongeren hoe ze de activiteit vonden of ze er elke week naartoe gaan en waar ze nu, op deze vrijdagavond, naartoe trekken.

De woensdagen of zaterdagen

Ik merk dat het belangrijk is om een routine in de wijkbezoeken te steken. De eerste keer op het voetbalplein zagen de gasten me als een indringer, de tweede keer kwamen ze nog niet naar me toe, maar antwoordden ze al makkelijker op mijn vragen. De derde keer riepen ze al: “Dag Rien!”, de vierde keer riepen ze: “Dag Rien! Hoe is't?”, en de vijfde keer vroegen ze me om mee te voetballen en vertelden ze zelf over hoe het die dag op school, thuis of het werk was. Dit geeft me zo'n goed gevoel.

De Vuurtorenwijk of zoals ze in Oostende zeggen: 'den Opex'

Woensdagnamiddag

Het basketbalpleinIk zie een groep jongeren basketten. Er zijn twee ringen. Er staan twee jongens aan de ene ring te basketten met een blinkende basketbal. De andere ring wordt bespeeld door een groepje van zes jongeren met een versleten basketbal. Ik vraag aan het groepje of ik mee mag spelen. Ze kijken me wat vreemd aan en zeggen: “Ja dan zeker?”. Ik krijg de bal niet, ze kaatsen hem niet terug naar mij. Ik confronteer hen en zeg: “Hé, mag ik eens proberen, ik wil dit ook kunnen zoals jullie dat doen.” Het lot hielp me een handje: ik gooi de bal van op een mooie afstand en hup, in de ring. Het ijs was gebroken: “Wie ben jij?”. Ik zeg m'n naam en vertel dat ik geïnteresseerd ben in hen, dat ik wil weten wat zij van de wijk vinden. Ik praat nog niet over KAJ. Ik vraag hen waar de jongeren in de Opex rondhangen. Zij geven me duidelijke plaatsen aan.

Ik vraag hen wanneer ze op het basketbalplein zitten, zo weet ik waar en wanneer ik hen kan terugvinden als ze me niet van de eerste keer hun contactgegevens zouden willen geven.

Als ik thuiskom, neem ik mijn laptop en schrijf ik de verhalen uit op basis van de notities in mijn boekje. Ik vertel de jongeren ook vooraf dat ik bepaalde zaken ga opschrijven van hetgeen ze me vertellen omdat ik hen interessant vind en wil weten wat we samen kunnen doen in de toekomst.

Vrijdagavond

Jeugdcafé Den AlbatrosEr is een jeugdcafé in de wijk, dat enkel open is op vrijdag van 21–24 uur. Ik ga er alleen naartoe. Aan de bar laat ik een meisje die ook wil bestellen voor. Ze bestelt een cola. Ik zeg tegen de barman: “Doe er maar nog een cola bij en geef mij maar de rekening.”. Ze kijkt me aan en vraagt wie ik ben. Ik pak het terug op dezelfde manier aan als op het basketbalplein, maar vraag hier specifiek waarom ze naar het jeugdcafé gaat en of dit is wat ze wil. Ik stel haar vragen, maar praat ook over mezelf. Wie ik ben, waar ik woon, dat ik benieuwd was naar het jeugdcafé en de wijk.

De woensdagen of zaterdagen

Ik bezoek de hangplaatsen van de jongeren: de plaatsen die de gasten me op het basketbalplein vertelden. Ik vraag de gasten hoe ze thuis leven, of ze werken of naar school gaan. Ik wil weten wat ze in de wijk doen, waar ze naar verlangen in de wijk. Ik vraag ook hoe ze zich hierbij voelen. Opnieuw praat ik ook over mezelf. Ik merk dat ze hierdoor een open houding aannemen. Ik ga ook telkens langs het basketbalplein om de realiteit van de 2 ringen (de rijke ring en de arme ring) te zien en te horen.

Een deelwijk van Stene of 'de Vogeltjeswijk' genaamd

De woensdagen

Onze graffitimuurToen ik daar woensdagnamiddag passeerde, was het ijskoud. Ik zag plots een jongen sukkelen met zijn brommer. Hij bleek op weg te zijn naar het centrum om zijn brommer te laten maken, zo een 5 km te voet. Ik stelde hem voor om die dan in mijn koffer van de auto te steken (gelukkig was het een mini) en vroeg hem waar hij woonde. Doordat het zo koud was, nodigde hij me bij hem thuis uit. Hier zaten een viertal vrienden van hem. We begonnen ondermeer over school, werk en de wijk. Ze praatten honderduit. De volgende keer dat ik er ging, ging het vanzelf: ze riepen me al van ver en begonnen zelf al van alles te vertellen.

Het Westerkwartier

Woensdagnamiddag

Ik fiets zoals gewoonlijk de woensdag rond in Oostende. Het Westerkwartier, mij bekend van het lekkerste pittahuis van Oostende, van het jeugdhuis De Takel waar ik men stage deed, van de bakker waar z'n brood naar vlees smaakt en van de wijk die naast het centrum ligt. Vreemd, bij elke hoek die ik omrijd, kruist een politiewagen me. In elke straat die ik inrij, patrouilleert een combi. Is dit het oefenterrein van de politie geworden? Ik zet mijn fiets aan de kant en wandel door de steegjes. Aan een struik zie ik enkele jongeren dealen, onder de glijbaan op het speelplein zie ik jongeren snuiven. Vreemde sfeer. Toch zie ik een groepje zitten op de bank die sigaretten aan het roken zijn. Ik wil erop toestappen met mijn ideale openingszin: “Heeft iemand een vuurtje?”, maar draai me terug om... “Hé Rien, wat is dat met jou?”, denk ik in mezelf.

Donderdagavond

Ik wist niet goed waarom, maar de drempel om die jongeren aan te spreken, was te hoog. Het was de allereerste keer dat ik dit tegenkwam. Ik moest deze drempel overwinnen en ging donderdagavond terug. Ik had al eerder gehoord van de 'Oostendse Haard', de sociale wijk van het Westerkwartier, en besloot daar naartoe te trekken. Wendy zat te roken en had geen interesse. Als ze wat wou, was het een discotheek, maar ze zat toch altijd in het centrum. Daarna kwam ik Karim tegen, die me net hetzelfde vertelde. Nee, hier voel ik me echt niet goed. Ik heb nogmaals geprobeerd, maar dit was niet de plaats waar ik energie kon insteken.

Weet je, de liefde voor de stad Oostende is wel gegroeid, door de uitbouw waarmee ik bezig ben. Ik besef nu dat Oostende echt een boeiende stad is, dat elke wijk zijn aparte levensstijl heeft, elke buurt zijn apart verhaal. Ik besef dat alle jongeren een deel van hun leven op een andere manier beleven omdat ze in een andere wijk wonen. Ik bekijk alles nu helemaal anders dankzij de verhalen van de jongeren i.p.v. louter oppervlakkig op basis van hetgeen ik gewoon zag of ik las in de krant. Oostende leeft. Luister Oostende, wij, de jongeren en ikzelf, zullen het nog boeiender maken. Komaan gasten van 't Nieuwe Stad.

Plaats reactie